De kenmerken van de morele rechten

De morele rechten zijn in principe onvervreemdbaar. Globale afstand van de toekomstige uitoefening is nietig. Een welomschreven toestemming voor een afstand van een bepaalde (actuele) uitoefening van één van de morele rechten is daarentegen wel mogelijk.

Het onvervreemdbaar karakter van de morele rechten is evenwel niet absoluut. Een bepaalde verzaking aan de morele rechten is mogelijk door de specifieke afstand van de morele rechten. Sinds 1994 kan een auteur “wettelijk” afstand doen van de uitoefening van de morele rechten, weliswaar onder bepaalde voorwaarden. De wettelijke erkenning van de mogelijkheid voor een auteur om “afstand” te doen van de uitoefening van zijn morele rechten, vloeit voort uit de tweede alinea van artikel XI.165 § 2 WER (vroeger artikel 1, § 2 AW) dat bepaalt dat “de globale afstand van de toekomstige uitoefening van dat moreel recht nietig is”. Het contract van ghostwriting is het voorbeeld bij uitstek waarbij een auteur afstand doet van de uitoefening van zijn paterniteitsrecht.

Bij de uitoefening van de morele rechten zal men in de praktijk ook steeds rekening moeten houden met de gebruiken die gelden in een bepaalde sector. In audiovisuele productiecontracten vindt men bijvoorbeeld dan ook dikwijls volgende clausule terug:

“De morele rechten van de Regisseur zijn uitdrukkelijk voorbehouden. De Regisseur zal zich echter niet verzetten tegen wijzigingen aan de Film omwille van montage en programmanoden evenals tegen wijzigingen die in de audiovisuele sector gebruikelijk zijn geworden, zoals de onderbreking door reclameboodschappen (voor zover deze duidelijk van de Film te onderscheiden zijn).”

De morele rechten zijn persoonlijkheidsrechten. Vermits de morele rechten zo nauw verbonden zijn aan de persoon van de auteur, komen zij, na overlijden van de auteur, niet terecht in het patrimonium van de erfgenamen. Dit heeft tot gevolg dat de erfgenamen de morele rechten niet in eigen naam kunnen uitoefenen, maar uitsluitend in naam van de overleden auteur.

Uitoefening van de morele rechten na overlijden van de auteur:

  • Artikel XI.166 § 1 WER (vroeger artikel 2, § 1 AW) vermeldt de beschermingsduur van de morele rechten: 70 jaar na dood van de auteur ten voordele van persoon die daartoe is aangewezen of erfgenamen;
  • Artikel XI.171 § 2 WER (vroeger artikel 7, § 2 AW) stelt expliciet dat de morele rechten, na overlijden van de auteur worden uitgeoefend door zijn erfgenamen of legatarissen, tenzij de auteur daartoe een welbepaald persoon heeft aangewezen (ook een Stichting kan worden aangewezen). Met andere woorden moet bij het overlijden van de auteur eerst worden nagetrokken of de auteur een persoon of instelling heeft aangeduid, belast met de uitoefening van zijn morele rechten.

Voorbeelden

Voorbeeld 1:

Hergé is de geestelijke vader van Kuifje. Sinds het overlijden van Hergé worden zijn morele rechten uitgeoefend door de “Fondation Hergé”.

Voorbeeld 2:

EP Jacobs is de geestelijke vader van Blake and Mortimer. Tijdens zijn leven heeft EP Jacobs zijn morele rechten overgedragen aan de Stichting Jacobs.

Terug naar: Over Auteursrecht > Over welke rechten beschikt een auteur? > Morele rechten

Print Friendly