Bijzondere bepalingen inzake audiovisuele werken

Artikel XI. 182 (vroeger artikel 18 AW) creëert een vermoeden van overdracht bij audiovisuele werken, met name: “De auteurs van een audiovisueel werk alsmede de auteurs van een creatief element dat op geoorloofde wijze in een audiovisueel werk is opgenomen of erin is verwerkt, met uitzondering van de auteurs van muziekwerken, dragen, behoudens andersluidend beding, aan de producenten het exclusieve recht op de audiovisuele exploitatie van het werk over, met inbegrip van de rechten die voor deze exploitatie noodzakelijk zijn, zoals het recht om het werk van ondertiteling te voorzien of het na te synchroniseren, onverminderd de bepalingen van artikelen XI.181 en XI.183 van deze titel (vroegere artikelen 16 en 19 AW).”

Het gaat hier om een weerlegbaar vermoeden. De auteurs van een audiovisueel werk of de uitvoerende kunstenaars dragen hun audiovisuele rechten over aan de producent tenzij anders is overeengekomen of behoudens andersluidend beding. Het vermoeden kan dus weerlegd worden door middel van een andersluidend beding. Dit andersluidend beding kan bestaan uit een overeenkomst tussen de auteur en de producent of nog een factuur of een prijsofferte.

In de praktijk is het gebruikelijk dat er een productieovereenkomst wordt gesloten tussen de auteur en de producent. Deze overeenkomst moet schriftelijk worden gesloten, want wanneer niets anders is overeengekomen kan de filmproducent de audiovisuele exploitatierechten geacht worden te hebben verworven op basis van het vermoeden van overdracht. Indien geen contract werd gesloten, is het in elk geval nuttig om op de achterzijde van de factuur algemene voorwaarden op te nemen.

Vermoeden van overdracht werd voorzien om de producent de mogelijkheid te bieden het werk commercieel te beheren en te exploiteren. Dit betekent dat enkel deze audiovisuele exploitatierechten worden overgedragen die strikt noodzakelijk zijn voor de exploitatie van het werk. De niet-audiovisuele exploitatierechten vallen niet onder dit vermoeden van overdracht. De overdracht van deze rechten zal uitdrukkelijk moeten worden voorzien in een overeenkomst.

In ruil voor het vermoeden van overdracht is men verplicht een vergoeding te voorzien. Zo bepaalt artikel XI.183, § 1 WER (vroeger artikel 19, § 1 AW): “Behoudens wat betreft de audiovisuele werken die tot de niet-culturele sector of tot de reclamewereld behoren, hebben de auteurs voor elke wijze van exploitatie recht op een afzonderlijke vergoeding.” Deze bepaling geeft de auteur een subjectief recht om per exploitatiewijze een afzonderlijke vergoeding op te eisen.

Een contract is dus van belang, want wanneer niets anders is overeengekomen, kan de filmproducent de audiovisuele exploitatierechten geacht worden te hebben verworven op basis van het vermoeden van overdracht.

Terug naar: Over Auteursrecht > Over welke rechten beschikt een auteur? > Vermogensrechten

Print Friendly, PDF & Email