Wat zijn de bijzondere regels met betrekking tot audiovisuele contracten?

Aangezien audiovisuele werken in de meeste gevallen werken zijn waar verschillende auteurs aan samenwerken, heeft de wetgever een opsomming gegeven van de verschillende natuurlijke personen die wettelijk als (co-)auteur van een audiovisueel werk kunnen worden beschouwd.

De hoofdregisseur moet in ieder geval als auteur van het audiovisuele werk worden beschouwd.

Daarnaast bepaalt de wet dat vijf categorieën van auteurs die in aanmerking kunnen komen om beschouwd te worden als auteur van een audiovisueel werk, met name:
• de scenarioschrijver;
• de bewerker;
• de tekstschrijver;
• de grafische ontwerper van animatiewerken / animatiesequenties in een audiovisueel werk, die een belangrijk deel van dat werk uitmaken;
• de auteur van muziekwerken met of zonder woorden die speciaal voor het audiovisueel werk werd gemaakt (m.a.w. geen gebruik van een reeds bestaand muziek).
Dit is een weerlegbaar vermoeden, wat betekent dat men altijd het tegenbewijs kan leveren om het auteurschap van één van deze auteurs te betwisten. In dit geval zal men moeten aantonen dat de bewuste bijdrage van de auteur niet het wezen van het audiovisueel werk als geheel heeft bepaald of dat de auteur geen originele bijdrage tot het werk heeft geleverd. Ook andere personen die tot het audiovisueel werk hebben bijgedragen, kunnen erkend worden als auteur wanneer hun bijdrage origineel is en deze bijdrage eveneens het wezen van het auteurswerk als geheel bepaalt.

Illustratie uit de rechtspraak: de zaak Kamiel Spiessens Hier kan verwezen worden naar het arrest van het Hof van Beroep van Brussel van 31 december 1997 waar het ging over de auteursrechten op het typetje Kamiel Spiessens. Dit typetje kwam tot stand mede door de creatieve inbreng van één van de medewerkers van de BRTN die in een scenario het typetje heeft omschreven en mede het uiterlijk van de heer Spiessens heeft bepaald. Deze inbreng zou wezenlijk zijn geweest om te leiden naar de figuur zoals deze werd gecreëerd.

De rechter oordeelde echter dat er in dit geval geen sprake kan zijn van een onverdeeld auteursrecht en kende de rechten toe aan de vertolker van het typetje. De inbreng van de medewerker van de BRTN was dus niet voldoende om het werk in zijn geheel te beïnvloeden. De BRTN die de rechten had verworven van de werknemer, kan dus geen auteursrechten laten gelden op het geheel.