Bouke Billiet, Eigenzinnige Held op de Boekenbeurs

Bouke Billiet, Eigenzinnige Held op de Boekenbeurs

De in 2012 verschenen debuutroman van Bouke Billiet deed al meteen
veel stof opwaaien. ‘In de naam van TienKamelen’ beweegt zich
op het raakvlak van immigratie en identiteit.

Donderdag 7 november was Bouke Billiet de Eigenzinnige Held
die zich vanaf het podium op Stand 400B – Hall 4.
tot het publiek van de Boekenbeurs richtte.

 

 

 

Boukes site: boukebilliet.be/
Hieronder de tekst van Boukes lezing

Dames en heren,

U bent allen stuk voor stuk absolute prachtexemplaren, zowel wat betreft uw uiterlijke verschijning als wat betreft uw intelligente en sympathieke uitstraling.

Zo.
Het leek me belangrijk om aangenaam te openen, zodat het publiek denkt dat het een prettig halfuur wordt.

Ik wil kort enkele stappen beschrijven die ik het voorbije jaar heb gezet om tot een volgend boek te komen, na het publiceren van wat ik voor het gemak mijn debuutroman noem, In de naam van TienKamelen. Het is natuurlijk bizar om over een boek te praten waarvan het nog lang niet zeker is dat het ooit een boek wordt, maar ik denk niet dat ik op dit moment in staat ben om over iets anders te praten. Het is ook vreemd om dat schrijfproces in een soort vacuüm te presenteren, want in het echt speelt het zich natuurlijk af voor en na het – betaalde – werk, tijdens vakanties, in afwisseling tussen wanhoop en productiviteit, maar vooral ook: in een gevecht om aandacht met andere schrijfopdrachten en manuscripten. Ik ben helaas niet zo bekend dat mijn vorige boek me van het volgende afhoudt, dus dat kan ik niet inroepen als excuus.

Fantaseren over een boek

Om te beginnen bij het begin: de eerste en belangrijkste voorwaarde waaraan een boek moet voldoen, is dat het moet boeien. ‘Vanavond niet,’ zegt de lezer kort tegen haar of zijn partner, ‘ik lig in bed met Billiet.’ Dat moet het doel zijn.
Nu is het probleem dat spectaculaire zaken zoals piraten en zwaardgevechten en ontploffingen op zich helemaal niet zo boeiend zijn. Bij een fatsoenlijke leeservaring is de lezer niet enkel geïnteresseerd in de belevenissen van de personages, maar ook, of vooral zelfs, in de reacties van de personages op die belevenissen. Ik kom hier straks nog op terug.
Ik maakte deze bedenking tijdens een discussie met een vriendin die erg geboeid is door fantasy. Ik ben dat iets minder. Om eerlijk te zijn slaag ik er maar zelden in om één volledige pagina te lezen van een boek waarin vuurkoningen en nevelgeesten de scepter zwaaien. En dat terwijl ik toch dol ben op Animal Farm en De ontdekking van de hemel, en ik dus geen probleem heb met het welwillend opschorten van mijn ongeloof.
Mijn rol in de discussie was dus tégen fantasy te zijn. Ik vroeg me af waarom een auteur zijn of haar werk zou willen volpompen met kobolden en eenhoorns en snorkels. Wil hij misschien camoufleren dat hij geen intrigerende en verhaalstuwende personages kan scheppen? Zonder enige kennis ter zake velde ik mijn oordeel: het stoort me dat fantasy overdreven lijkt te focussen op de genrespecifieke karakteristieken, eerder dan op de algemene eisen van goede literatuur. Het genre dweept met zichzelf. Ten bewijze: elk fantasy-boek heeft een fantasy-kaft. De lezer wordt op die manier gerustgesteld dat het om fantasy gaat, dat een bepaalde toon aangehouden zal worden, dat een of ander vergezocht verzinsel ex machina het verhaal zal beïnvloeden.

In de nasleep van die korte gedachtewisseling vroeg ik me af of ikzelf in staat was om een actieverhaal te schrijven waarin zwaarden flitsen en steden branden, maar dat toch echte literatuur is. Dat wil zeggen, in mijn definitie, een boek waarin door middel van het verhaal een groter verhaal wordt verteld, over de menselijkheid der mensheid, een verhaal dat de lezer minstens evenzeer boeit als de vraag wie de oorlog wint of wie de moord heeft gepleegd.
Dat gesprek kwam er precies op het juiste moment, want het andere manuscript waarmee ik bezig was en ben, is er een van extreme introspectie. Ik hunkerde dus zelf naar actie, naar beweging, naar baldadig schuim op de golven. ’t Was beslist: Bouke Billiet ging een avonturenroman schrijven.

De vonk

De vonk waarmee het eigenlijke verhaal van mijn verhaal begint, was een bezoek aan Honfleur, een kustdorp in Normandië. Ik zag er prachtige huizen, maar: met de gevel naar het binnenland in plaats van naar de zee gericht. En toen dacht ik: tiens, een kustdorp, een vissersdorp dat zich afkeert van de verraderlijke en dodelijke zee. Een dorp waar zowat alle mannen zijn verdronken. Een dorp dat een nieuwe bestaanswijze zoekt. En ik wist: mijn setting is geboren. En het nut van reizen, tussen haakjes, was nog maar eens bewezen.

De sprokkelfase

Vervolgens begon een bijzonder aangename fase, namelijk die waarin ik te pas en te onpas allerlei kleinigheden noteer. Twee kinderen die op dezelfde dag geboren worden. Een samenleving zonder elektriciteit, maar met windmolens en lampen van lichtgevende algen. Een priester die de bijbel naar eigen goeddunken herschrijft. Deze fase is prettig, omdat het onmogelijk is te falen. Het is een sprokkelfase, waarin geen enkel idee te gek is. Om eerlijk te zijn verkeer ik permanent in deze fase; aan het eind van de dag is er altijd wel ergens een broodzak of een treinkaartje waarop een paar aangespoelde woorden staan gekrabbeld. Sinds we verhuisd zijn, mag ik niet meer op de muren schrijven.
Omdat mijn belangrijkste literaire wapenfeiten tot nu toe telkens een vrouw als hoofdpersonage hadden, wilde ik dit keer een man en een vrouw tegenover elkaar zetten. Daar komt liefde van, dat zie je zo, zeker als je die sprokkelzin over de twee gelijktijdig geboren kinderen al in handen hebt.
De eerste zin van het boek kwam er al enkele dagen na het ‘ontdekken’ van het zeedorp, en is ook niet meer gewijzigd:
Pollux en Fay kwamen op dezelfde dag ter wereld en dat had enkele vérstrekkende gevolgen.
Deze zin voelde als de enig mogelijke aan.
Al gauw volgden andere kapstokzinnen. De eerste zin van deel twee:
Oorlog kwam naar het dorp in de vorm van een oude man.
En de eerste zin van deel drie:
Toen hij eindelijk voor haar stond, viel er aan Fay niet veel meer te bevrijden.

Die drie sleutelzinnen, dat zal u ook wel opgevallen zijn, volgen braaf het stramien van de meeste verhalen: expositie, de missie met hindernissen, en de climax en afloop.
Naarmate de aantekeningen groeiden, ontstond ook een soort grondplan van het verhaal. Over grondplannen gesproken: ik stal een plattegrond, een blad papier van twee op twee meter, uit het hospitaal waar ik werk. Dat enorme blad hing ik aan de muur, en de voorbije maanden is het ding bedolven geraakt onder tekeningen, namenlijstjes, kronieken et cetera. Per boek verbruik ik op die manier een muur.
Ik plantte het verhaal van Fay en Pollux in het dorp, creëerde een land rond het dorp en problemen voor het land. Maar bovenal gaf ik gestalte aan Fay, de nieuwsgierige en ambitieuze maar ook zwaarmoedige Fay, en aan Pollux, de ongeduldige en nuchtere maar ook onzekere ijzervreter.

Schrijven dus

Zo bouwde ik een wereld van mijn sprokkels en belandde ik in de volgende fase, ook nog leuk, want eigenlijk nog altijd niet echt gruwelijk moeilijk: schrijven binnen een al bij al nog vrij onafgebakend kader. In deze fase produceer ik tekst, en zoek ik welke richting ik uit wil, wat werkt en vooral ook wat niet werkt.
Er komen vele ideeën tegelijk op me af en die moeten allemaal op papier voor ik sterf. Wie in mijn schriftjes bladert – de computer komt nog niet in het verhaal voor – wie in mijn schriftjes bladert, zal zien dat ik enkele bladzijden schrijf van deel drie, streep eronder, een stuk dialoog van wat ergens halverwege deel één hoort, daaronder een herinnering aan mezelf om die paardenepisode uit deel één in deel drie te laten terugkeren enzovoort. Een koortsachtige, maar productieve fase. Dit is helaas de enige fase waarin ik ooit het gevoel heb goed op te schieten. Definitie van tevredenheid: wanneer de buitenkant van mijn pink zwart ziet van de inkt.

Een beetje in het wild schrijven, om het oneerbiedig uit te drukken, heeft voor- en nadelen. Het is belangrijk om voor ogen te houden dat dit eerder uitgebreide notities zijn dan zelfs maar een embryonale vorm van het eigenlijke boek. Een grote woordenbrij produceren is namelijk niet hetzelfde als een leesbaar verhaal schrijven. Wie het moeilijk heeft met schrappen of de boel omgooien, zou ik een heel andere aanpak aanraden, namelijk de John Irving-manier: eerst alles tot in detail uitdenken en het dan pas opschrijven. Ik heb het moeilijk met schrappen en omgooien, maar voor de Irving-manier heb ik het brein noch het geduld.
Los van het feit of het uiteindelijk in mijn boek belandt of niet, heeft het schrijven van bijvoorbeeld de episode ‘Fay breekt een been’ wel zin. Als ú uw been breekt en drie weken in bed moet blijven liggen, dan gaat u misschien een groot feest in uw huis organiseren, terwijl ik waarschijnlijk niemand wil zien, thee drink en mijn Asterix-albums herlees. Ik wil maar zeggen: schrijven over een personage is een personage leren kennen.
Ik voeg daar meteen nadrukkelijk aan toe dat dat niet betekent dat het personage al ergens bestaat en dat het aan de schrijver is om de overbodige steen weg te hakken rond het beeld. Nee: de schrijver is de baas, het karakter wordt gecreëerd en zo nodig aangepast. Je zou kunnen zeggen: de schrijver is de baas, niet de pen.

Het klinkt misschien een beetje als een workshop creatief schrijven, maar dat is het natuurlijk ook: ik probeer mezelf te leren om dit boek te schrijven.

En zo, al schrijvende, kwam ik tot een paar vaststellingen.
De eerste verwijst terug naar de fantasy: ik kan me maar niet ontdoen van de stelling dat goede fictie genoeg heeft aan de realiteit. Als u wilt dat ik daar dieper op inga, moet u me maar op een volgende lezing uitnodigen, maar voor mijn schrijfwereld geldt dat fictie de realiteit vertekent en daardoor schetst en becommentarieert, eerder dan er zo verschillend mogelijk van te willen zijn. Misschien is dat een verklaring voor mijn aversie van fantasy. Anderzijds: als ik de Griekse godenwereld aanvaard als verwerking van onze wereld, waarom zou Chewbacca of de Schijfwereld dan geen rijke metafoor kunnen zijn? Of moet ik niet proberen het allemaal uit te leggen en fantasy zien als abstracte kunst?
Geen idee, want ik sta hier dan ook niet als literatuurwetenschapper, maar als verslaggever van een ontdekkingsreis. Schrijven is een vorm van inwendig onderzoek. Niet wetenschappelijk, wel streng. Niet objectief, wel experimenteel. Nooit terugbetaald, wel levensnoodzakelijk.

Een tweede vaststelling: mij interesseren de karakters. Niet de oorlog staat centraal, maar de beleving van de oorlog. De brand, de veldslag, de avonturen zijn niets meer dan mogelijkheden of aanleidingen om mijn personages en hun relaties te onderzoeken. Ik wend dus de blik af van het brandende schip en bekijk en beschrijf in plaats daarvan het schip door de ogen en gedachten van de kapitein, de reddingswerker of een voorbij zwemmende dolfijn die er het zijne van denkt.
Ander voorbeeld: het is niet het vuurwerk dat me interesseert, maar de oeh’s en aah’s. De uitdaging van literatuur schuilt er voor mij in om u, de lezer, enkel de oeh’s en aah’s te geven, en u zover te krijgen dat u uw eigen mentale kleurpotloden gebruikt om in uw hoofd het vuurwerk af te steken.
Misschien is die mate van uitdaging van de lezer wel het voornaamste verschil tussen lectuur en literatuur.

In het begin – want ik was toen nog een beginnende schrijver van dit boek – kreeg ik daardoor een probleem met mijn actiescènes. Als er gevochten moest worden, of ontsnapt uit een piratenschip of zo, zat ik me bijkans te vervelen tijdens het schrijven. Dat was natuurlijk een probleem, want als ik er al bij zat te zuchten, hoe zou het dan zijn voor mijn arme lezer?
De oorzaak benoemen is de oplossing geven. De actie moest nauw aansluiten bij mijn personages en hun karakters. Het zijn geen gratuite verhaaltjes. Vergelijk met Odysseus: het is zijn nieuwsgierigheid, zijn ontrouw, het feit dat hij de goden op de tenen trapt waardoor hij in de problemen komt. De gebeurtenissen komen voort uit het karakter.

Een voorbeeld uit mijn eigen tekst: op een bepaald moment raakt Pollux, mijn hoofdpersonage, betrokken in een gevecht op leven en dood. Het is een belangrijke sleutelscène in het boek – de ultieme confrontatie met de slechterik, weet je wel – waaraan dus ook de nodige ruimte moet worden gegeven, maar ik kan u verzekeren: drie bladzijden lang ‘hij sloeg, hij pareerde, hij haalde uit, hij viel, hij draaide zich razendsnel om,’ boeiend is dat niet. Dat wordt het hopelijk wel als we Pollux’ dierbaren – zelf ook belangrijke personages – het gevecht laten gadeslaan en tonen welke angsten ze uitstaan. Het gevecht wordt interessanter als we in Pollux’ hoofd kruipen en de lezer tonen hoe hij het gevecht beleeft.
Een fragmentje uit mijn woordenbrij, ik lees de versie van vandaag, op de trein richting Boekenbeurs:

Borluut grijnsde, trok zijn zwaard en gaf met een krachtig bevel zijn paard de sporen. Het tumult aan de kant van het Raadhuis viel stil. Ondanks alles keek iedereen naar wat zich op het plein afspeelde. Zelfs de Raadsleden kwamen terug het balkon op.
Fay vergat Marianne weg te trekken van het raam terwijl Borluuts paard aan snelheid won.
Charlotte keek met getrokken zwaard hoe Pollux plots terugdeinsde.
‘Hij dacht wellicht dat die soldaat van zijn paard zou stappen,’ merkte een raadsvrouw op terwijl Pollux achteruit liep.

‘Niet erg eervol,’ zei een ander raadslid, terwijl de hoeven almaar harder over de stenen kletterden.
‘Winnen is wat telt,’ wilde het raadslid zeggen dat het vonnis over het zuiden had voorgelezen, maar hij zweeg, want Pollux was opgehouden met achteruit te lopen.
Zijn soldaten juichten hem toe terwijl Borluut zijn zwaard hoog in de lucht tilde.
God, het is ook jouw kind, bad Marianne dringend, terwijl haar zoon recht op Borluut afstevende.
Charlotte legde een hand op haar buik en zag de afstand tussen paard en man verdwijnen.
En Fay zag helemaal niets toen een storm van paard en staal over Pollux brak, maar smaakte het bloed in haar mond toen, bijna op hetzelfde moment, Pollux na een duikeling opnieuw overeind stond, in zijn gestrekte arm een druipend zwaard, zijn rug naar soldaat en paard. Het dier was nooit Pollux’ vijand geweest, maar miste nu een been en sloeg tegen de grond. Het zou de korte tijd die het nog restte vol onbegrip liggen schreien en overeind proberen komen terwijl zijn leven donkerrood over de stenen liep.

Nu sla ik een stukje over, en dan:

Het was pas toen ze allebei verschillende slagen hadden uitgewisseld en Pollux verwoestend uithaalde maar Borluut eenvoudig een pas opzij zette, dat de twijfel toesloeg.
Borluut las het in zijn ogen. ‘Een verdwaald kind ben je.’

En Pollux begon na te denken. Heb ik verloren, vroeg hij zich af, of kan ik nog terug naar de plaats in mijn hoofd waar ik ga om te winnen?
Heel even keek hij opzij. Naast hen lag het stervende paard. Drie benen spartelden vertwijfeld in de lucht terwijl het dier probeerde op te kijken. Nog steeds in dat ene moment zag Pollux de doodsangst van het paard en hij begreep dat hij daar nog niet aan ten prooi gevallen was.

Een boek, misschien

Met het gebruik van mijn hersens, om het zo maar eens te zeggen, trad ik een nieuwe fase in: het nadenken over waar ik heen wilde met al die avonturen en ontwikkelingen. Welk verhaal wil ik vertellen? Wat verpersoonlijken mijn personages?
Als je dat weet, kan je, moet je beginnen amputeren en schrappen wat niet past en bijschrijven.
Natuurlijk lopen de schrijffase en de denkfase dagelijks door elkaar heen, om nog te zwijgen van de research, die ik hier maar even onbehandeld laat. Maar toch: er is een moment waarop je moet stilstaan, de pen neerleggen en nadenken: wat is mijn bedoeling met dit manuscript, dat uitpuilt van de woorden? Ik wil immers geen reeks gebeurtenissen weergeven, maar een samenhangend en afgerond verhaal vertellen over één of enkele thema’s. Is mijn liefdeshistorie nog altijd de motor van het verhaal? Of is het een heel ander boek geworden?
Een goede oefening in dezen is het in een zin proberen vatten van het kernidee of het thema van het verhaal. Dus niet een samenvatting van het verhaal zelf, maar van wat je met dat verhaal wilt zeggen. Lukt het niet om dat te formuleren, dan zit je vermoedelijk met een woordenbrij in plaats van met een verhaal. Knap geschreven misschien, maar geen verhaal.

Schrijven is één ding, maar herschrijven, daar ligt de uitdaging. Ik weet nu waar het over gaat en waar het niet over gaat. Nu – vandaag, vanavond, morgen – komt het eropaan alles in vraag te stellen en in te grijpen waar nodig:
-waarom bevinden ze zich op een eiland? Is dat wel de beste keuze? Is dat geen platgewandeld literair pad, zo’n verlaten eiland? Wat voeg ik toe
-waarom houdt Fay van sprookjes? Wat kan ik daarmee? Is het niet beter om van haar een keiharde fantasieloze zakenvrouw te maken? Werkt het verhaal op die manier beter?
’t Is een onvoorstelbaar geploeter, en wie in de loopgrachten zit, ziet niet wie de oorlog wint. Daarom probeer ik regelmatig afstand te nemen en het geheel te overschouwen.

Dit is zonder enige twijfel de moeilijkste fase. (Dat zeg ik ook omdat ik me er nu in bevind.) Hier probeer ik namelijk een verhaal in een tekst te leggen. Ik zoek het huis tussen de bakstenen: wat vertel ik waar? Op wat voor toon? Wie vertelt het? Ligt het er niet te dik op? Ik herhaal het nog maar een keer voor mezelf: alles moet ik durven overdenken. En beslissen, want ik wil één boek schrijven, geen zestig gelijkaardige.

Als dat allemaal enigszins lukt, kan ik langzaam beginnen hopen dat uit al mijn onzekere letters een fatsoenlijk boek voortkomt.
Met mijn roman – werktitel: De nabestaanden, ik nodig u uit om daar uw mening over te geven, straks, wanneer u TienKamelen koopt – met mijn roman wil ik een brug leggen naar de volledige ander, waarmee ik wil zeggen: de zin voor esthetiek aanspreken maar ook een inhoudelijk debat aangaan, een belofte van leesplezier nakomen, een intieme samenzwering opzetten, een alternatieve kijk aanbieden. Dat is tenslotte wat zo fantastisch is aan de romankunst: een roman lezen of schrijven stelt je in de mogelijkheid om contact te leggen met andere mensen zonder beperkt te worden door tijd en ruimte, af- en aanwezigheid, leven en dood. Op die manier maken de lezer en de schrijver elkaar onsterfelijk.
Dat klinkt ironisch, dat contact leggen. Lezen en schrijven lijken namelijk bepaald solitaire bezigheden. Toch houd ik vast aan die stelling. In elkaars fysieke nabijheid zijn, is immers geen garantie voor waardevol contact. Denk aan: een café waar de muziek te luid staat om grondig te praten, een gesprekspartner die meer met haar innerlijke stem of voicemail bezig is dan met wat jij te zeggen hebt. Laten we ook gêne en zelfcensuur en liegen en vergeten niet vergeten.
Met mijn roman hoop ik u volledig te bereiken, ik wil dat u gedurende enkele uren uw geil lief, uw huilend kind en uw deadline op het werk compleet negeert en al uw aandacht richt op wat ik u te vertellen heb. Dat u deze uiteenzetting helemaal tot het einde hebt uitgezeten, is alvast bemoedigend en daar dank ik u voor.

Lees er alles over op: boukebilliet.be/