Het in militaire commandostijl uitmoorden van de hoofdredacteur en enkele legendarische cartoonisten van Charlie Hebdo heeft de wereld met verstomming geslagen. Het afgrijzen voor deze gewelddadige afrekening is onnoemelijk groot, zoals dit weekend ook bleek uit tal van solidariteitsbetogingen en protestmarsen, niet enkel in Frankrijk overigens. De moordpartij bij Charlie Hebdo is ondertussen betiteld als de “9/11”-aanslag op de journalistiek. Het is een gruwelijke negatie van het recht op de persvrijheid, waarvan uitgerekend de wieg in Parijs staat.

Liberté, egalité, fraternité

In 1789 kregen de ideeën van verlichting, vrijheid, gelijkheid en broederschap een neerslag in wat één van de steunpilaren werd van een democratische samenleving: “la liberté d’expression”, de vrijheid van meningsuiting. Onbegrensd is die vrijheid weliswaar niet: in een parlementaire democratie komt het toe aan de wetgever om de limieten op die vrijheid in wetteksten vast te leggen en vervolgens aan de rechterlijke macht om, na een eerlijk en openbaar proces, met respect voor de rechten van de verdediging, eventuele inbreuken proportioneel te bestraffen, enkel voor zover “nodig in een democratische samenleving”.

Dat eerlijk proces en het recht op verdediging is op woensdag 7 januari 2015 aan de hoofdredacteur en de cartoonisten van Charlie Hebdo ontzegd. Door naar de wapens te grijpen is hen op onrechtvaardige, inhumane wijze het recht op expressievrijheid en zelfs het recht op leven ontnomen. Nooit kan een dergelijke gruwelijke afrekening gerechtvaardigd worden: niet in naam van een religie, niet in naam van een God of Profeet, niet in naam van een ideologie of ‘hoger belang’.

Geweld tegen journalisten

De aanslag in Parijs is ook een pijnlijke illustratie van de escalatie van geweld tegen journalisten en mediawerkers. Of het nu gaat om de moord op onderzoeksjournalisten in Mexico, aanslagen tegen journalisten in Rusland, Oekraïne, Oeganda, de Filipijnen en Libië, de standrechtelijke executies van journalisten in Syrië en Irak, of het elimineren van bloggers en online media in China, Iran, Egypte of Turkije: telkens worden via brutale machtsoefening of geweld kritische stemmen het zwijgen opgelegd.

Soms volstaat het om een andere kijk op de zaak te hebben. Soms is het rapporteren van de werkelijkheid een reden om journalisten, verslaggevers of persfotografen te intimideren. En nu is ook humor, spot en satire met geweld te lijf gegaan. Eerder is al gebleken hoe kunst, literatuur en zelfs muziek belaagd worden in tijden van onverdraagzaamheid, of door totalitaire regimes, criminele organisaties of extreem-radicale groepen.

“Het is opvallend hoe de voorbije jaren ook de journalistiek zelf steeds vaker het doelwit van afrekening, intimidatie en geweld is geworden”.

De moordaanslag op Charlie Hebdo is daarvan een grensverleggend bewijs. Sinds enige tijd al dringen journalistenverenigingen en heel wat niet-gouvernementele en internationale organisaties aan op een betere bescherming van journalisten. Via tal van internationale programma’s zijn campagnes gestart als protest tegen het toenemende geweld waarvan journalisten en mediawerkers het slachtoffer zijn.

Het duidelijkste voorbeeld van zo’n campagne en actieprogramma is het UN Plan of Action on Safety of Journalists and the Issue of Impunity, dat met alle betrokken actoren het geweld tegen journalisten en media een halt wil toeroepen. Uitgerekend in Frankrijk werden onlangs door de VN en Unesco, samen met de Raad van Europa en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens initiatieven genomen om dat actieplan in een brede internationale context te ondersteunen. Op 2 november werd voor de eerste keer een breed opgezette internationale dag georganiseerd tegen het wereldwijde verspreide geweld tegen journalisten en media. We kunnen in onze verontwaardiging overigens ook maar beter niet al te selectief zijn, omdat deze keer het geweld toesloeg in Parijs, in het hart van Europa.

Extreme meningsverschillen

Men hoeft het niet eens te zijn met de redactionele lijn van Charlie Hebdo, noch met het soms huiveringwekkend provocatieve karakter van bepaalde spotprenten of cartoons. Daarover kan onbegrensd gediscussieerd worden, daarover zijn extreme meningsverschillen mogelijk. Diverse rechtscolleges in Frankrijk, maar ook in andere Europese landen, hebben ondertussen geoordeeld dat de controversiële Mohammed-cartoons niet aanzetten tot haat en geweld, maar deel uitmaken van het recht op expressievrijheid. Men kan het daarmee intellectueel of moreel oneens zijn, maar de regels van de democratische rechtsstaat moeten wel geëerbiedigd worden.

Sterker nog, er is geen democratische samenleving zonder het recht op expressievrijheid en botsende en voor anderen soms kwetsende opinies en informatie. Dat is ook wat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens constant benadrukt als waarborg voor het recht op expressie- en informatievrijheid.

“Zonder botsing van opinies, zonder pluralisme, zonder af en toe wat provocatie in woord en beeld verdort het maatschappelijk debat.”

Wie dus de vrijheid van meningsuiting en de journalistiek met geweld bestrijdt, raakt de kern van de democratie en het respect voor de mensenrechten. De gruwelijke moord op de journalisten, redacteurs en cartoonisten van Charlie Hebdo grijpt dan ook naar de keel van de democratie. Wat de gevolgen van deze aanslag voor onze samenleving zullen zijn, kunnen we nu nog niet inschatten. 7 januari 2015 zal ongetwijfeld nog heel lang een zwarte dag blijven in de (Europese) geschiedenis van de journalistiek en de expressievrijheid.

Dirk Voorhoof is vakgroepvoorzitter aan de vakgroep Communicatiewetenschappen van de UGent en lid van het Center for Journalism Studies en het Human Rights Centre.

Type
Nieuws
Datum
13.01.2015