De auteur beschikt over exclusieve rechten en het komt hem toe om toestemming te geven voor elke exploitatiewijze van zijn werk.

Teneinde een soort evenwicht in te bouwen tussen de rechten van de gebruiker en de rechten van de auteur werden bepaalde uitzonderingen voorzien in de auteurswet: een limitatief omschreven aantal handelingen kunnen gesteld worden zonder voorafgaandelijk de toestemming te vragen aan de auteur.

Boek XI van het Wetboek Economisch Recht voorziet een gesloten systeem van uitzonderingen. Enkel de uitzonderingen die uitdrukkelijk voorzien zijn in de auteurswet kunnen ingeroepen worden door de gebruikers zonder eerst de toestemming te vragen aan de auteurs.

De uitzonderingen moeten restrictief geïnterpreteerd worden. Ook door het Hof van Justitie van de EU is meermaals bevestigd dat de beperkingen en uitzonderingen op het auteursrecht “eng moeten worden uitgelegd”. Maar tegelijk moet er wel voor gezorgd worden dat “de nuttige werking van de vastgestelde beperking wordt beschermd en het doel ervan wordt geëerbiedigd”.

Verder bepaalt de wet dat de uitzonderingen van dwingend recht zijn, wat betekent dat men hier contractueel niet kan van afwijken.

De uitzonderingen zullen steeds de driestappentoets (de zogenaamde driestappentoets was reeds terug te vinden in artikel 9, lid 2 van de Berner Conventie van 9 september 1886 en artikel 13 van de TRIPS overeenkomst van 15 april 1994) moeten doorstaan. Artikel 5.5. van de Europese richtlijn auteursrecht in de informatiemaatschappij bepaalt dat de uitzonderingen:

  • In bijzondere gevallen mogen worden toegepast
  • Mits daarbij geen afbreuk wordt gedaan aan de normale exploitatie van werken of ander materiaal
  • En de wettige belangen van de rechthebbende niet onredelijk worden geschaad. Deze driestappentoets moet voor ogen worden gehouden bij de bespreking van de uitzonderingen. De driestappentoets werd niet letterlijk opgenomen in de Belgische auteurswet maar de uitzonderingen moeten deze test wel doorstaan.

De auteurswet voorziet:

Wanneer het werk op geoorloofde wijze openbaar is gemaakt, kan de auteur zich niet verzetten tegen:

10° een karikatuur, een parodie of een pastiche, rekening houdend met de eerlijke gebruiken”

Door de parodie als uitzondering te erkennen op de vermogensrechten heeft de wetgever ook onvermijdelijk een zekere beperking ingebouwd op de morele rechten. Een parodie impliceert immers een zekere vervorming van het werk en conflicteert dus met het integriteitsrecht van de maker van het originele, geparodieerde werk.

Van een geoorloofde parodie was destijds volgens de Belgische rechtspraak sprake wanneer aan volgende voorwaarden werd voldaan:

  • de parodie moet zelf een origineel werk zijn, dat nieuwe, creatieve elementen aan een bestaand werk toevoegt;
  • de parodie moet een humoristisch of ironisch karakter hebben;
  • de parodie moet een vorm van kritiek of contrast bevatten op het originele werk;
  • de parodie mag niet meer vormelementen overnemen dan strikt noodzakelijk is om de parodie tot stand te brengen;
  • de parodie mag niet tot verwarring aanleiding geven met het oorspronkelijke werk;
  • een commercieel doel mag niet louter of hoofdzakelijk aan de basis liggen van de parodie en
  • de parodie mag niet gecreëerd zijn met de loutere of hoofdzakelijke intentie of met het opzet schade toe te brengen aan het oorspronkelijke werk.

Daar waar de Belgische rechter vroeger zeven voorwaarden in aanmerking nam, stelde het Europees Hof van Justitie in het arrest Deckmyn – Vandersteen van 3 september 2014 dat slechts aan twee voorwaarden moet worden voldaan opdat sprake zou zijn van parodie:

  • De parodie moet duidelijk verschillen van het bestaande werk
  • Er moet aan humor worden gedaan of de spot worden gedreven

Aangezien ook met de morele rechten dient rekening te worden gehouden en met de “eerlijke gebruiken” is het nog even afwachten hoe de Belgische rechters invulling geven en toepassing maken van het door het Europees Hof vastgelegde parodie-begrip in het arrest van 3 september 2014.

De aanleiding van dit arrest ontstond op de nieuwjaarsreceptie van de stad Gent. In Gent verspreidde de lokale Vlaams Belang afdeling naar aanleiding van de nieuwjaarsreceptie van de stad op 9 januari 2011 een kalender met daarop een karikatuur van de Gentse burgemeester, expliciet refererend aan het album van Suske en Wiske “De Wilde Weldoener”, waarbij Lambik vervangen werd door burgemeester Termont die kwistig geld uitstrooide (aan migrantenfamilies).

De voorzitter van de Brusselse rechtbank oordeelde dat de karikatuur van Lambik weinig originaliteit bevat en dat er te veel gelijkenissen zijn tussen het originele album van Suske en Wiske en de karikatuur van het Vlaams Belang.

Tijdens de behandeling in beroep heeft het Brusselse hof van beroep om advies gevraag aan het Europees Hof. Het hof van beroep wil graag via enkele prejudiciële vragen vernemen of de parodie een autonoom Unie-begrip is (of draagwijdte ervan in de hele Europese Unie op autonome en eenvormige wijze moet worden uitgelegd), en zo ja, aan welke voorwaarden de parodie moet voldoen. Vooral interessant is de vraag aan het Europees Hof of een parodie er moet op gericht zijn “aan humor te doen of de spot te drijven, ongeacht of de daarbij eventueel geuite kritiek het oorspronkelijke werk of iets dan wel iemand anders raakt”. Op die manier werd het Europees Hof ertoe uitgenodigd om duidelijkheid te verschaffen of een parodie een kritiek moet inhouden op het oorspronkelijke werk (parodie “op”), dan wel of een parodie ook kan gebruikt worden om een kritiek op iets of iemand anders te formuleren (parodie “met”).

Het Hof van Justitie heeft zich op 3 september 2014 uitgesproken in deze zaak.

Het Hof definieert de wezenlijke kenmerken van een parodie als volgt:

  • Het moet gaan om een bestaand werk dat wordt nagebootst doch met duidelijke verschillen.
  • Er moet aan humor worden gedaan of de spot worden gedreven.

Volgens het Hof moet de parodie geen ander eigen oorspronkelijk karakter vertonen. Het volstaat dat er duidelijke verschillen zijn met het geparodieerde oorspronkelijke werk. Ook bronvermelding van het geparodieerde werk is niet vereist.

Bij de beoordeling van de parodie moet men nagaan of er een rechtvaardig evenwicht is bereikt tussen de belangen en de rechten van de auteurs en rechthebbenden enerzijds en de vrije meningsuiting van de persoon die zich beroept op de uitzondering van de parodie anderzijds.

Het Hof stelt vast dat indien een parodie een discriminerende boodschap bevat (bijvoorbeeld door gewone personages te vervangen door gesluierde en gekleurde figuren, met een onderliggende boodschap van vreemdelingenhaat), de houders van de rechten op het geparodieerde werk in beginsel een rechtmatig belang hebben opdat hun werk niet met deze boodschap wordt geassocieerd.

Het Hof oordeelt verder dat het aan de nationale rechter is die, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval, moet oordelen of de toepassing van de uitzondering van de parodie het rechtvaardige evenwicht tussen de uiteenlopende belangen van de betrokkenen in acht neemt.

Over de finale uitkomst van deze parodiezaak betreffende de Vlaams Belang-parodie van “De Wilde Weldoener” kan dus nog niet gerapporteerd worden.

Enkele andere voorbeelden van de parodie-exceptie vind je hier:

1. Nijntje

De nabootsing van Nijntje op de cover van het tijdschrift Deng, met verwijzing naar cocaïnegebruik, werd in een vonnis van 12 mei 2005 beoordeeld als een inbreuk op de auteursrechten van Mercis BV en Dick Bruna. Het vonnis benadrukt dat er geen betwisting kan zijn over de reproductie van de figuur Nijntje: de vorm, de typische lijnvorming en het gebruik van kleuren, met name een wit hoofd met zwarte omlijning op een felkleurige achtergrond. Vastgesteld wordt dat er aan deze reproductie slechts twee minimale elementen zijn toegevoegd, namelijk een rode druppel en een subtiel lijntje. Om van een parodie te kunnen spreken moet sprake zijn van een “boertige nabootsing of een povere zwakke nabootsing”, waarbij essentieel is dat het oorspronkelijke werk niet volledig conform wordt weergegeven. Er moet dus minstens sprake zijn van een vervormde weergave van het oorspronkelijke werk, waarbij “de kenmerken van het oorspronkelijke werk dienen beperkt te blijven tot de elementen die noodzakelijk zijn om te kunnen parodiëren”. Aan deze basisvoorwaarde is in voorliggende zaak niet voldaan.

Het vonnis verduidelijkt dat de uitzondering van de parodie in het auteursrecht “beperkt is tot het vervormd weergeven van het oorspronkelijk werk”, maar dat men “een beschermd werk niet mag gebruiken om andere dingen te parodiëren, zeker niet zonder dat werk duidelijk te onderscheiden van het origineel”. Het gebruik van het onschuldige figuurtje Nijntje, als symbool in confrontatie met het druggebruik in de maatschappij, is volgens de rechter geen parodie, pastiche of karikatuur, “maar het gebruik van een beschermd beeld om de aandacht te trekken en dus met als voornaamste doel een commercieel gebruik, wat zeker niet kan zonder voorafgaandelijke toestemming van de auteur en de houder van auteursrechten”.

Het vonnis voegt er nog aan toe dat door dit gebruik van de figuur Nijntje de rechten van de eisende partij zeker geschaad zijn. Er is overigens niet enkel een schending vastgesteld van het reproductierecht en publiek mededelingsrecht van Dick Bruna, ook diens morele rechten zijn geschaad, m.n. “door de associatie van zijn schepping met druggebruik en de publicatie op grote schaal van Nijntje als druggebruiker”.

De auteursrechtinbreuk en het verspreidingsverbod van de ongeoorloofde parodie van Nijntje op de Deng-cover is bevestigd in een arrest van het hof van beroep te Antwerpen, helemaal in lijn met het vonnis. Het hof benadrukt dat de grafische voorstelling van het konijn op de gewraakte cover onvoldoende verschilt van het origineel van Dick Bruna en zelf geen blijk geeft van voldoende originaliteit. Het gaat om een “slaafse” reproductie, de exacte verhoudingen zijn behouden, er is de typische wijze van aanduiding van mond en ogen, de dikte van de gebruikte lijnen is dezelfde en er zijn identieke felle contrasterende kleuren gebruikt. De minimale toevoegingen (het lijntje cocaïne en de bloeddruppel) zijn onvoldoende om aan de cover van Deng de vereiste originaliteit te verschaffen. Het hof bevestigt het stakingsbevel. Naast de inbreuk op de materiële rechten van Bruna (reproductie, publieke mededeling) stelt het hof ook de inbreuk vast op diens morele rechten.

2. Kuifje

Interessant en ook wel heel bijzonder is het arrest van het hof van beroep te Brussel van 14 juni 2007 in de zaak Ole Ahlberg tegen Moulinsart/Rodwell en Herscovici in verband met de parodie op werken van Hergé (Kuifje) en op een werk van Magritte. Het hof is van oordeel dat de Deense kunstenaar zich op het auteursrecht kan baseren en de parodie-exceptie kan inroepen om een einde te doen stellen aan de acties van de auteursrechthebbenden Hergé/Magritte die zich verzetten tegen de expositie van enkele werken van Ahlberg in Brussel, werken die zij beschouwen als inbreuk op het auteursrecht van Hergé en Magritte. Het arrest geeft op een eigen wijze invulling aan de parodie-exceptie, waarbij vooral opvalt dat het niet als een strikte vereiste wordt gesteld dat de parodie een expliciete kritiek bevat of de spot drijft met een bestaand werk.

Het Hof van Cassatie vernietigde op 18 juni 2010 het arrest van het hof van beroep van Brussel. Het Hof van Cassatie vindt dat het hof van beroep niet voldoende duidelijk heeft gemaakt dat Moulinsart en co. een inbreuk hebben gepleegd op het auteursrecht van Ahlberg, en waarom die een beroep kon doen op de stakingsvordering tegen stopzetting van inbreuken op het auteursrecht. Het cassatiearrest geeft evenwel geen verder uitsluitsel over de vraag of het hof van beroep nu wel of niet terecht geoordeeld heeft dat de schilderijen van Ahlberg als een legitieme parodie kunnen worden beschouwd. De zaak is doorverwezen naar het hof van beroep in Luik.

3. Lucky Luke

In 2011 werden zowel Lijst Dedecker als het Vlaams Belang veroordeeld voor het ontoelaatbaar gebruik van een auteurswerk. Beide partijen meenden zich nochtans te kunnen beroepen op de parodie-exceptie maar de rechters waren van oordeel dat het niet om een legitieme parodie ging. Jean-Marie Dedecker baseerde zich voor zijn politieke campagne in 2007 op de figuren Lucky Luke en de Daltons. Op de betwiste spotprent is de LDD-kopman te zien als Lucky Luke en geven zijn politieke rivalen gestalte aan de Daltons. De erfgenamen eisten daarop de stopzetting van het ongeoorloofd gebruik van het werk van Morris, de auteur van Lucky Luke.

LDD beriep zich vervolgens op de parodie-exceptie. De rechtbank van eerste aanleg te Brugge oordeelde dat de betwiste publicatie effectief een toelaatbare parodie was. In een arrest van het hof van beroep van Gent wordt die bevinding echter van tafel geveegd. Volgens het hof werd in casu niet voldaan aan de voorwaarde die stelt dat er een element van kritiek op of contrast met het originele werk moet zijn. Integendeel, de betwiste tekening haakt aan bij het succes van de stripfiguren Lucky Luke en de Daltons en neemt het imago dat deze stripfiguren uitstralen over.

4. Pieter Aspe

Het hof van beroep in Gent oordeelde dat een verkiezingspamflet met een parodie van een foto van Pieter Aspe geen inbreuk was op het auteursrecht. Eerder had de voorzitter van de rechtbank nochtans geoordeeld dat het Blankenbergse politieke kartel Dwars Groen, met de parodie van de foto van Aspe als voormalig Open VLD-politicus, een inbreuk had gepleegd op zowel het portretrecht van Aspe als op het auteursrecht van de maker van de foto. In de zaak Dwars Groen tegen Aspe motiveert het hof van beroep evenwel omstandig waarom de parodie-montage van Dwars Groen aan alle kenmerken van de parodie voldoet en bovendien ook binnen het kader blijft van de eerlijke gebruiken.

Het hof van beroep te Gent komt aan de politieke parodie tegemoet als een vorm van legitieme nabootsing en vervorming van een bestaand auteurswerk, hier als onderdeel van een politieke polemiek in een verkiezingsperiode. Het hof maakt duidelijk dat het auteursrecht en de ermee verbonden morele rechten van de auteur van het originele werk niet te ver mogen doorschieten bij het toepassen van de parodie-exceptie in deze context.

Het hof komt tot de conclusie dat de parodie met een foto als onderdeel van een verkiezingsfolder van het politieke kartel Dwars Groen geen inbreuk pleegt op de rechten van de fotograaf die eerder in opdracht van Open VLD een foto nam van Pieter Aspe, een foto die werd gebruikt voor een verkiezingskalender met mogelijke kandidaten voor de verkiezingen in 2012. Een essentiële overweging van het hof is dat de parodie van Dwars Groen kritiek levert “op het beleid en/of het voorgestelde beleid en/of de verkiezingspropaganda van de Open VLD in Blankenberge” en dat de parodie minstens de bedoeling laat blijken kritiek te willen uiten. Het hof vindt dus in tegenstelling tot de eerste rechter, dat van een inbreuk op het auteursrecht geen sprake is.

Type
Legal Tuesday, Nieuws
Datum
11.09.2018