Kinderboekenduo Sebastiaan Van Doninck en Kim Crabeels naar Zweden met deAuteurs.

Met deAuteurs naar het Zweedse Björköby.
Een verslag van kinderboekenduo Sebastiaan Van Doninck en Kim Crabeels

Björköby. Alleen de naam al heeft iets sprookjesachtigs. Het Smålandse dorpje – enkele typisch Zweedse houten huisjes groot – lijkt wel de set voor de verfilming van een Astrid Lindgren-boek, ‘Michiel van de Hazelhoeve’ of ‘Madieke van het rode huis’. Links en rechts staat een echte Villa Kakelbont en onder de berken, tussen de dotterbloemen, lupinen en narcissen die een week eerder nog onder de sneeuw verstopt zaten, maar nu speciaal voor ons in bloei staan: Källäng. ‘Óns huisje’. Illustrator en goeie vriend Sebastiaan Van Doninck en ik mogen er met steun van deAuteurs en gastvrouw Joke Guns een week lang schrijven en schetsen zonder afleiding van buitenaf. Die paar lawaaierige meeuwen laat ik voor het gemak buiten beschouwing. Het is als in dat kinderboek waarin het hoofdpersonage de hele tijd haar eigen ding doet. ‘Ik richt de wereld in, wiede-wiede naar mijn eigen zin!’ Een week lang laten Sebastiaan en ik de Pippi Langkous in ons los.

In het spoor van Astrid Lindgren

Onze hele Zweden-trip door is Astrid Lindgren alomtegenwoordig. Gastvrouw Joke Guns is op zijn zachtst gezegd Grote Fan.

Het was één van haar rnen om met man en kinderen naar Astrid Lindgrens geboortestreek te trekken. Joke droomde van een schrijfverblijf, waar creatieve geesten in het spoor van haar idool konden treden. Daarvoor zijn Sebastiaan en ik nu hier, als eerste kinderboekenduo ooit. Een hele eer!

We herlezen ‘Mio, mijn mio’, ‘De gebroeders Leeuwenhart’ en ‘Wij op het eiland Zeekraai’ met zicht op de plaatselijke Badplats, een geheimzinnig meer vol rotseilandjes. Het lijkt zo uit Astrid Lindgrens verhalen te zijn weggevloeid. We gaan op de fika in Astrid Lindgrens Näs in Vimmerby. We grinniken toch even om de kladdkaka en ostkaka op ons bord. Het kind in ons komt al naar boven. Het zat niet zo ver weg. We schommelen in Astrids tuinen, beklimmen de enige echte limonadeboom en krijgen van directeur Nils Magnus (Ha!) zomaar even de sleutel tot Astrids geboortehuis. Natuurlijk krijgt Herr Magnus van ons een Magnusboek in ruil. Het huis ademt nog Astrid Lindgrens geest. Die fluistert ons in dat we geluksvogels zijn. We schrijven en illustreren voor het allerleukste publiek ter wereld. ‘Houd dat publiek in gedachten. Verwen het, verras het, daag het uit!’

In de ban van de grimmige, dominante natuur

We schrijven en tekenen zonder aan uitgevers, verkoopcijfers, recensenten te denken. Eerst moeten we ontwennen: geen tv, beperkt internet, geen winkel in de buurt, zelfs niet één café. Ik deel mijn verbazing met Hannah, de kokkin die elke avond smakelijke husmanskost aan huis brengt. Hannah reageert wat verontwaardigd. Björköby heeft wel degelijk een café. Het is maar liefst één keer per maand open. Maar nee, deze week dus niet. Sebastiaan en ik werken ’s avonds lekker door.

Elke ochtend joggen we. Elke vooravond maken we lange wandelingen door de berkenbossen, langs veenmoerassen en meren. Een goed verhaal heeft zuurstof nodig. Aan gezonde lucht geen gebrek hier in Björköby. De inspiratie laat niet op zich wachten. Sebastiaan ontdekt tinten grijs en groen die bij ons thuis niet bestaan. We spotten herten, kraanvogels, dassen, vossen. Af en toe een eland van heel ver. De natuur is prachtig, dominant, maar ook grimmig. Zodra het begint te schemeren, spoken Zweedse krimi-scenario’s door onze hoofden. En wanneer een kudde herten voor onze ogen het bospad oversteekt –angstig, duidelijk op de vlucht voor ‘iets’- slaat ook onze fantasie op hol. Sebastiaan en ik rennen erachteraan. Verderop klimmen we hoog en veilig in een jachthut. Daar blijven we zeker een uur lang zitten. Ons grimmige verhaal krijgt vorm.

‘Freyr van de blauwe rots’

‘Freyr van de blauwe rots’ is de vertaling van onze indrukken in die spookachtige, sprookjesachtige natuur. Het verhaal zit vol verwijzingen naar de Noordse mythologie. Want: ‘Mensen zijn stom dat ze in sprookjes geloven. Maar wie bij ons in Småland woont, begrijpt hen wel. De waters en de bossen zijn hier zwarter. De rotsen zijn grilliger, de nachten langer en de winters snijdend koud. Dat doet iets met een mens.’ We delen nu alvast twee fragmenten en illustraties.

‘Moeders zijn heksen. Ze aaien je hoofd tot je slaperig wordt en fluisteren verzinsels in je oren. Pas in het donker kruipen ze als nachtmerries weer naar buiten.
‘Zwem niet in het zwarte water, Freyr.’
Ik hou ervan te zonnen op de kei met de kleur van meeuweneieren.
‘Die kei is een blå kulla! Een betoverde rots. Je glijdt ervan af en je verdrinkt, Freyr.’
Een moeder doet dat uit liefde. Ze wil haar kind niet kwijt.
‘Blijf weg uit het bos. Ga niet van het grindpad af.’
Het is zo heerlijk liggen op het veenmos, met mijn tenen tussen de dotterbloemen en het wildemanskruid.
‘Dat mos grijpt je bij de enkels. Het laat je nooit meer los. Hoor je die stemmen niet? Het zijn de kinderen die nooit zijn teruggekeerd.’
Mijn moeder hoeft niet alles te weten. Ik lieg – nee – ik verzwijg soms kleinigheden, net omdat ik van haar hou.’
(Beginfragment)

‘Vlak voor mijn geboorte droeg mijn moeder me door Kattegatt. Dat is de zeestraat die het Deense Jutland met het Zweedse Halland verbindt. Ik zat in haar buik en hoorde de meeuwen krijsen. Als katten in nood. Ze waren vlakbij. Als ik mijn handje tegen haar buikwand legde, voelde ik de luchtstroom van hun vleugels. Ik besloot te blijven zitten waar het warm en veilig was.
Als kind sprak ik nog jaren van Kattergat, het kattengat. De juiste naam – Kattegatt – betekent niets anders dan nauwe doorgang. Maar bij mij riep die plek nog lang het schrikbeeld op van klauwende katten met kromme ruggen. Soms hoor ik hun gekrijs nog in het donker.

Die nacht ging april over in mei. Het was Walpurgisnacht. ’s Ochtends zag ik voor het eerst het licht.’ (Begin tweede hoofdstuk)

Besök från Belgien

We ronden onze heerlijke week af met een bezoek aan de Björkö skola. We brengen Magnus in het Engels tot leven en verzinnen met de kinderen een Zweeds vervolg. Er moet een Fladdermus in, zeggen ze. Zelfs een vleermuis klinkt hier leuker dan bij ons. Juf Ȧsa geeft Sebastiaan erg nauwkeurige aanwijzingen bij het tekenen van een eland. Ze heeft er pas nog eentje geschoten. Nu snappen we waar die ‘Bang! Bang!’ op haar T-shirt op slaat. Er moet nog een lodjur in, vindt een jongen. Een lynx! En hij beschrijft hem tot in de kleinste details. Hij heeft er onlangs eentje van dichtbij in zijn achtertuin gezien. En er ontbreekt nog een grävling. Een das. ‘Ja, schattig’, zeg ik. Tot ik hoor dat de les ‘Wat te doen bij een dassenaanval?’ hier verplichte leerstof is. Te weten: snel een tak pakken en die breken op je knie. Een das laat pas los als hij bot heeft horen kraken. Het is eens wat anders dan de dt-regel.

Ook die avond gaan we wandelen. Maar deze keer blijven Sebastiaan en ik wijselijk op het pad.

Zweeds dankwoordje

Onze schrijftrip haalde de Zweedse krant Vetlanda-Posten. ‘Författeren’ betekent ‘schrijver’, ‘illustratören’ ‘illustrator’. Verder zou er vanalles kunnen staan. Na een week reikt mijn kennis van het Zweeds nog niet veel verder dan enkele vrolijke namen uit de Ikea-catalogus. ‘Nisse’ voor een makkelijk op te bergen klapstoel, toepasselijk vernoemd naar een Zweedse kabouter. ‘Isfjorden’ of ‘ijsfjord’: wat een prachtige naam voor een simpele spiegel. Of ‘norröra’ voor een klein, eivormig schaaltje, naar het gelijknamige Zweedse eilandje waar ‘Samen op ’t eiland Zeekraai’ werd verfilmd. ‘Kladdkaka’ is heerlijke chocoladecake, ‘ostkaka’ is kaastaart. En ‘välkommen’, zo voelden we ons bij Joke en haar familie. Tack, Joke! En tack så mycket, deAuteurs, dat jullie – en nu spreek ik even helemaal voor mezelf- een beginnend schrijver als ik zo’n fantastische kans gaven. Tack, tack, driedubbel tack in naam van ons allebei, voor alle inspiratie. Die krijgt zeker een vervolg in een paar Zweeds getinte kinderboeken.

door Kim Crabeels